Steenkevertjes
Er is slechts één hoge berg,
die als een stenige boom overal bovenuit steekt,
bij mist lijkt hij uit de hemel te dalen,
een soort stilstaande wandelaar in het rotsgebergte
Alleen op deze berg groeit een vreemde wilg,
met lange, harige bladeren
's Nachts hebben ze een grijze tint,
maar gedurende de dag worden ze steeds roder
In de herfst beginnen de bladeren te vallen,
ze nemen dan de nachtkleur aan,
en rollen zich op tot een kelk,
zonder kelkbuis, eigenlijk een kommetje zonder bodem
In deze harige holtes voelen de steenkevertjes zich thuis,
kevertjes met vier poten en vier voelsprieten,
waarmee ze zowel kunnen voelen als lopen
Zo rennen ze rond in de kelken van de wilgenbladeren,
als in een draaiende houten ton
Bij vermoeidheid nestelen ze zich in de bladhaartjes,
om voor lange tijd te rusten
Reacties op ‘Steenkevertjes ’
Er zijn nog geen reacties geplaatst bij dit gedicht, een reactie plaatsen kan hieronder!
