Omhoog
Tegen de rotswand schuif ik een ladder uit,
ik leun er met mijn rug tegenaan,
mijn hakken haken achter de treden,
en langzaam klim ik achteruit, naar boven
Mijn hoofd, anders gewend omhoog te kijken,
buigt nu naar beneden, richting aarde
Langzaam vervaagt alles onder me,
mijn fiets, die ik tegen de rots had gezet,
zie ik nog net, als een vage schim
Het zadel, vochtig van mijn tocht,
van de last van de ladder op mijn schouder,
van het zweet dat langs mijn nek loopt,
glanst in het bleke licht
De lucht verraadt de kilte,
mijn adem draagt het gewicht van de klim,
mijn vingertoppen tintelen zacht
De wind streelt mijn gezicht,
langs de treden, langs mijn wangen
Ik hoor het geritsel van bladeren,
een fluistering, bijna onhoorbaar,
die me aanspoort door te gaan,
omhoog, naar een oneindig blauwe hemel,
waaronder de wereld langzaam verdwijnt
Ingezonden door
Paul Duyvesteyn
Geplaatst op
14-09-2024
Geef uw waardering
Op basis van 0 stemmen krijgt dit gedicht NAN van de 5 sterren.Tags
LadderReacties op ‘Omhoog’
Er zijn nog geen reacties geplaatst bij dit gedicht, een reactie plaatsen kan hieronder!
