De kapitein (Deel VIII)
Na het laven en praten komt de kater,
zijn hoofd barst in de stilte die de schat liet.
De leemte in zijn hart, bewaard voor later,
wetende dat zij begraven evengoed geniet.
De schatkaart in zijn hoofd vergaat niet,
maar dreigt nu verder weg te glijden.
En schuift zacht naar de leegte die zij liet,
hij beseft dat dit niet is te vermijden.
Hij recht zijn rug, staat op vanaf het dek
en kijkt vermoeid uit over het wijdse water.
Hij staat op zijn tenen en strekt zijn nek
hopend op een teken van de schat voor later.
Twijfels gaan over zijn gedachten,
is de schat dan enkel klatergoud?
Hoelang kan hij nu nog wachten?
Kapiteins worden immers niet zo oud.
Reacties op ‘De kapitein (Deel VIII)’
Er zijn nog geen reacties geplaatst bij dit gedicht, een reactie plaatsen kan hieronder!
